Goudwinning (1718-1722)
Al in 1716 waagt Gouverneur de Goyer een poging om goud te winnen op de Parnassusberg op Berg & Dal, die toen in het bezit was van de “Sociëteit Suriname”. In 1717 werd de Duitser Salomon Sanders benoemd tot “bergdirecteur” en hij begon naar goud te zoeken. De volgende gouverneur, Hendrik Temming, maakte alweer een eind aan de goudwinningsactiviteiten omdat deze niet winstgevend waren voor de eigenaar van de Sociëteit.

Suikerplantage (1722-1835)
Direct na het sluiten van de mijn eigende gouverneur Temming zichzelf het gebied (650 ha), het huis van de directeur van de mijn en alle andere faciliteiten toe, om een suikerplantage op te zetten. Hij verkreeg ook 860 ha grond op de oostelijke rivieroever en in andere aangrenzende gebieden. Al tijdens zijn gouverneurschap (1722-1727) was de suikerplantage 2.150 ha groot en werd bewerkt door 80 slaven. Toen Temming in 1727 overleed, erfde zijn vrouw Charlotte van Lith de plantage. Haar afstammelingen behielden de plantage tot in 1870, toen de plantage aan Kersten werd verkocht.

Houtgrond (1835-1863)
Toen de suikerplantages op de vruchtbaardere kustgronden succesvoller werden, en de gronden van de binnenlandse plantages uitgeput raakten, veranderde ook plantage Berg en Dal langzamerhand in een “Houtgrond” (hout producerend gebied), die brandhout leverde voor de verdampingsinstallaties van de suikerplantages in de kustgebieden. Op de kaart van Teenstra-Mabe (1835), wordt Berg en Dal afgebeeld als “Houtgrond”. De plantage bleef in handen van de nakomelingen van de familie Van Lith totdat het in 1870 verkocht werd aan de Evangelische Broedergemeente.

Volgende pagina ->